maandag 31 juli 2017

Broederstrijd, Antonio Pennacchi

In Het Mussolinikanaal leerden we de familie Peruzzi kennen, volgelingen van Mussolini die een nieuwe boerderij kregen in de drooggemaakte moerrassen onder Rome.

In dit deel gaat de oorlog verder en zien we hoe het de familie gaat in de oorlog en in de chaotische jaren daarna.

Broederstrijd is een mooi vervolg op Het Mussolinikanaal en het is geschreven in dezelfde sappige stijl vol grappige dialogen en anekdotes. Hierbij maakt het niks uit of nu een ruige oom of een politicus aan het woord is, of één van die knettergekke familieleden die schijt aan alles hebben en die het lot naar hun hand zetten, desnoods door er stenen naar te gooien. 

Kenmerkend zijn de vele zijpaadjes die samen het verhaal vormen. Zo beginnen we op bladzijde één met neef Diomedes die het geld jat van een bank die getroffen is door een bom en krijgen we vervolgens een relaas over de jeugd van Diomedes en hoe hij uiteindelijk via allerlei avonturen en sterke verhalen bij die bank is terechtgekomen. Pas negentig bladzijdes later zegt de verteller (een van de vele Peruzzi-neven)

Enfin, voordat ik verder ga moet ik zeggen dat ik niet weet of het nou wel of niet waar is, dat verhaal van Diomedes, en de bank, het geld en de kruiwagens. Dat is wat mijn familie vertelde en precies zo vertel ik het aan u. Maar Diomedes zei dat het niet waar was.

Een zwart neefje dat toreador in Spanje wordt, het huwelijk tussen oom Benassi en tante Santapace, wie de vader is van kleine Pericles, de neven die communist worden, de neven die fascist blijven en de neven die zich aansluiten bij de gewone partizanen. Al deze verhalen vormen het kleurrijke familieverhaal van de Peruzzi’s.

Zij waren fascist tijdens de oorlog, sommigen uit overtuiging, anderen uit noodzaak en na de oorlog werden sommigen communist en anderen sloten zich aan bij de Christen-democraten. Sommigen uit overtuiging, anderen uit noodzaak.

Mooi wordt ook uitgelegd waarom veel Italianen geloofden in Mussolini en de eenheid die ze voor het eerst voelden, in een land dat altijd zo verbrokkeld is geweest.

Dit maakt duidelijk dat overtuigingen nooit zwart-wit zijn, maar afhangen van de omstandigheden. Zo zijn de Duitsers bondgenoten, zo zijn het vijanden en je moet je maar aanpassen aan de veranderingen.

Ondanks dat ik veel heel mooi vond en ik heb genoten van deel één en deel drie van het verhaal, kwam Broederstrijd voor mij toch niet helemaal in de buurt van Het Mussolinikanaal, dat ik prachtig vond.

Daarvoor is Broederstrijd in sommige gedeelten te fragmentarisch en zwalkt het tussen teveel personen waardoor je van iedereen iets en van niemand veel weet en het moeilijk is om betrokken te blijven bij de personages.

Soms ging het één alinea over een van de neven, soms een paar bladzijdes, maar daarna ging het weer over heel andere mensen. Bijna onophoudelijk trekken in deel twee allerlei voorbeelden voorbij van partizanen en politici die samen de geschiedenis van de oorlog in Italië en de vrede daarna vorm moesten geven, maar daar blijft het bij. Het werd bijna een opsomming die een enorme onderbreking vormde, in plaats van een integraal onderdeel van het verhaal.

Gelukkig ging het in deel drie weer grotendeels over de kleurrijke schreeuwlelijkers die de Peruzzi-clan vormden. Ik benieuwd of er nog een derde boek gaat komen, waarin de belevenissen van de Peruzzi’s in de jaren ’50 en ’60 aan bod komen. 
Het einde van dit tweede boek biedt daar wel ruimte voor, al is de verteller nu even gestopt met zijn verhaal om voor zijn bijen te zorgen. We hopen dat hij terug komt om verder te vertellen.

Originele Italiaanse titel: Canale Mussolini, parte seconde
Uitgegeven in 2015
Nederlandse uitgave 2017 door uitgeverij De bezige bij
Nederlandse vertaling: Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd
Bladzijdes: 472

vrijdag 28 juli 2017

To walk invisible (2016)

Een paar van de mooiste klassiekers in de Engelse literatuur zijn geschreven door drie zussen in een pastorie in Yorkshire. Ik heb het natuurlijk over Charlotte, Emily en Anne Brönte.

De zusters Brönte hebben niet alleen prachtige boeken achtergelaten, maar ook een romantisch levensverhaal. Hun moeder overleed vroeg en hun twee oudere zusjes overleden ook op jonge leeftijd. De vier overgebleven Bröntes, Charlotte, Branwell, Emily en Anne brachten hun tijd door met het schrijven van verhalen over landen die ze zelf bedacht hadden.

To walk invisble is een bijzondere film, ik denk namelijk dat als je geen biet afweet van de Bröntes, je na deze film nog altijd niet heel veel wijzer bent. De film concentreert zich op de drie jaar waarin de zusjes hun boeken publiceerden en waarin tegelijkertijd hun broer Branwell ten onder ging aan drank en uitspattingen. Hun geliefde broer elke keer te moeten oprapen als hij weer eens was gevallen, en hem steeds verder zien afglijden, eiste zijn tol van alle familieleden, vooral omdat ze er helemaal niets tegen konden doen.

To walk invisible is op twee manieren op te vatten, ten eerste wilden de zusters hun identiteit geheim houden omdat ze wisten dat ze als vrouwelijke auteurs niet heel serieus genomen zouden worden en na publicatie veel harder beoordeeld zouden worden.

Ten tweede wilden ze hun succes verbergen voor hun broer Branwell. Ook hij had talent voor schrijven en tekenen, maar voor hem was het belangrijker om zich over te geven aan drank en zijn eigen genoegens. Hij leek niet te begrijpen dat je om iets te bereiken ook door moet zetten.

Hoewel ze van hem hielden, was het voor Charlotte, Emily en Anne duidelijk dat ze niets van Branwell hoefden te verwachten als hun vader zou overlijden, ze zouden zelf in hun onderhoud moeten voorzien. Daarom besloten ze om te proberen hun verhalen uit te laten geven.

Ik vond To walk invisible een heel mooie film, waarin ze hun best hebben gedaan om het leven van de zusjes zo realistisch mogelijk te maken. Ze waren niet arm, maar hadden het ook niet bepaald breed en moesten gewoon meewerken in het huishouden.
Chloe Pirrie, Charlie Murphy en Finn Atkins als Emily, Anne en Charlotte
Filmen in de echte pastorie was niet mogelijk, maar ze hebben voor de film het huis van de Bröntes gewoon nagebouwd, zodat je wel een heel goed beeld krijgt.

De acteurs spreken ook met het accent van Yorkshire, dat, nadat je er een minuut aan moet wennen, heel goed te volgen is.

De verschillende karakters zijn goed getroffen. Finn Atkins speelt Charlotte als de oudere zuster die fel is en gedreven, maar ook weet dat zij voor haar zusters moet zorgen. Emily, gespeeld door Chloe Pirrie, is hard en ontzettend recht door zee, maar tegelijkertijd gevoelig en het meest kwetsbaar van allemaal. Charlie Murphy speelt Anne, die de vredestichtster is tussen Emily en Charlotte en de enige is die door Emily helemaal wordt vertrouwd. Ontroerend zijn de scenes tussen die beide zusjes.

Adam Nagaitis als Branwell en Jonathan Price als vader Brönte, zijn ook zeer goed in hun rol.
Adam Nagaitis als Branwell
Ik heb maar twee minpunten te noemen bij deze film. Ten eerste had het voor mij zo een zesdelige serie mogen zijn, ik had graag meer gezien over het leven van de Bröntes!

Het einde, waarin we de pastorie zien zoals die er nu uitziet, compleet met winkeltje, voelt een beetje gek aan. Ik neem aan dat de bedoeling is om te laten zien dat de nalatenschap van de Bröntes nog altijd doorwerkt, maar ieder van ons die hun boeken kent, weet dat wel. 

Maar behalve die laatste twee minuten, heb ik hier met heel veel plezier naar gekeken. 

maandag 24 juli 2017

Alles voor het moederland, Michel Krielaars

Voor Joden was er in het Rusland van de 19e eeuw weinig plek. Ze mochten maar in bepaalde steden wonen, bepaalde beroepen uitoefenen en toegang tot de universiteit was gelimiteerd. Regelmatig waren er pogroms waarbij in een stad de Joodse bevolking het zwaar te verduren kreeg en vaak overleefde een groot deel van de Joodse gemeenschap zo’n pogrom niet.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in de revolutionaire beweging veel Joden actief waren. In een nieuw Rusland zouden de oude grenzen weggevaagd worden, alleen mensen zouden gelijk zijn en er zou een einde komen aan discriminatie.

Isaak Babel (1894-1940) en Vasili Grossman (1905-1964) waren twee schrijvers die ervan overtuigd waren dat de revolutie een betere maatschappij zou brengen. Zij conformeerden zich in de eerste instantie aan de nieuwe regels voor literatuur, maar al snel bleek dat ze alleen maar propaganda mochten schrijven.

Isaak Babel schreef uiteindelijk niets meer, maar was verdacht door zijn reizen naar het buitenland. Hij werd in 1939 gevangen genomen en werd in 1940 roemloos door de geheime dienst doodgeschoten. Zijn lichaam is in een massagraf terechtgekomen en zijn boeken werden in beslag genomen. De aanwezigheid van Isaak Babel moest zoveel mogelijk worden uitgewist. Pas na de dood van Stalin kwam er een uitgave in de Sovjet Unie uit met zijn verzamelde verhalen.

Vasili Grossmann bleek lange tijd onaantastbaar. Waar anderen werden opgepakt tijdens de grote terreur van Stalin eind jaren ’30, wist hij de dans te ontspringen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Russische leiding volkomen overrompeld werd door de Duitse inval, werd Vasili Grossman oorlogscorrespondent. 

Zijn manier van schrijven liet de verschikkingen van de oorlog spreken en maakte duidelijk wat soldaten en burgers te lijden hadden. Tegelijkertijd was het regime blij met zijn artikelen omdat ze de heldendaden van het Russische volk onderstreepten.

Na de oorlog nam Stalin steeds meer maatregelen tegen de Joodse bevolking, een nieuwe vervolging was begonnen. Grossman verzette zich hiertegen, maar dat had tot gevolg dat hij bijna geen opdrachten meer kreeg en zijn werk niet meer gepubliceerd werd.

In zijn laatste grote roman Leven en lot vergelijkt hij de dictaturen van Stalin en Hitler met elkaar en komt hij tot de conclusie dat er in de uitvoering weinig verschil zat en ook niet voor de mensen die het moesten ondergaan. Deze roman mocht niet uitgegeven worden in de Sovjet Unie. Grossman had in het buitenland kunnen publiceren, maar hij had gezien hoe dit voor Boris Pasternak was afgelopen en bovendien was hij nog altijd te trouw aan het regime.

Pas aan het einde van zijn leven zag hij definitief in dat het communisme zeker geen heilstaat had gebracht en gaf hij toestemming zijn werk in het buitenland uit te geven. Hijzelf heeft dat niet meer meegemaakt. Hij stierf in 1964 en pas in 1980 kwam zijn werk in Zwitserland uit. In Rusland duurde het tot 1989 tot Leven en lot gepubliceerd werd.

Voor zowel Babel als Grossman speelde hun Joods zijn in de eerste instantie niet zo’n grote rol. Ze wilden zich er juist van losmaken en hoopten op een eerlijke behandeling in de nieuwe Sovjet Unie. 

Langzamerhand bleek dat ook in de Sovjet Unie de Joden een groep te zijn die er niet bij hoorde en die naar believen gebruikt kon worden als zondebok. Isaak Babel heeft de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt, maar Vasili Grossman wel. Zijn moeder was door de nazi’s vermoord en op het einde van zijn leven werden zijn Joodse wortels steeds belangrijker. Op het einde wilde hij zelfs begraven worden op een Joodse begraafplaats, maar dat is niet gelukt omdat zijn echtgenote die niet chique genoeg vond.

Van Michel Krielaars heb ik eerder Het brilletje van Tsjechov gelezen, het boek waarmee mijn liefde voor Tsjechov begonnen is. Ik had dus hoge verwachtingen van Alles voor het moederland en ik ben blij dat die verwachtingen zijn waargemaakt.

In dit nieuwe boek weet Michel Krielaars de levens van Grossman en Babel te vermengen met de geschiedenis van Rusland in het algemeen, en dat van de Joden in Rusland in het bijzonder. Hij probeert inzichtelijk te maken waarom schrijvers als Babel en Grossman zo positief over de Revolutie waren en dat zo lang bleven, terwijl de verschrikkingen bekend werden, en hij slaagt hier goed in.

Daartussen door vlecht hij de observaties van nu en wat er vandaag de dag nog van de geschiedenis te merken is. In sommige opzichten is dat beschamend weinig, maar soms zijn er prettige verrassingen. De herdenkingen van de Stalin-terreur worden door het huidige regime vaak verboden, maar aan de andere kant zijn steeds meer Russen zich bewust dat de herinneringen belangrijk zijn.

Alles voor het moederland is bijzonder goed geschreven, interessant en weet  nieuwe situaties en gebeurtenissen voor het voetlicht te brengen, ondanks dat ik best wel wat heb gelezen over de (schrijvers tijdens de) Stalintijd.
Opnieuw een zeer goed boek.

Uitgegeven in 2017 door uitgeverij Atlas Contact
Bladzijdes: 334

zondag 23 juli 2017

Kunst op zondag (7)

Vincent van Gogh, Bospad 1887
In het Van Gogh museum is er op dit moment een kleine tentoonstelling te zien: Van Gogh, Rousseau, Corot: in het bos. 

Voor de 19e eeuw was het voor schilders bijna niet mogelijk om de buitenlucht te schilderen, omdat er geen verf in tubes was. Er werden buiten schetsen gemaakt die later in het atelier werden uitgewerkt.

Maar in de 19e eeuw werd er verf in tubes geproduceerd en konden de schilders naar buiten trekken. Bekende landschapsschilders waren Theodore Rousseau en Camil Corot, die in de bossen van Fontainebleau geinspireerd raakten door het spel van licht door de takken heen en de schaduw op de grond.

Voor Vincent van Gogh was de natuur altijd al belangrijk geweest, ook als jongen zwierf hij het liefst over de hei en door de bossen en als kunstenaar had hij bewondering voor het pionierswerk van Rousseau en Corot, die probeerden om de werkelijkheid op hun doeken te vangen. Ook voor hem werd dit steeds belangrijker.

In het Van Gogh museum hangen er nu een aantal werken bij elkaar om het verband tussen deze schilders aan te geven. Het is geen grote tentoonstelling, het is één zaal met ongeveer 30 werken. Ik moet eerlijk bekennen dat de landschappen en bosgezichten van Rousseau en Corot mij niet zo heel erg aanspraken. Ik kreeg de indruk dat ze zich vooral arm kochten aan donkerbruine en donkergroene verf.
De schilderijen van Vincent van Gogh die hierbij hangen zijn wel prachtig. Bij hem zie je daadwerkelijk dat licht tussen de bladeren en zijn kleurgebruik is ontzettend mooi. De schilderijen van Vincent van Gogh maken deze tentoonstelling, ondanks de kleinheid, toch de moeite waard.

Van Gogh, Rousseau, Corot: in het bos is nog tot 10 september 2017 in het Van Gogh museum in Amsterdam te zien.

vrijdag 21 juli 2017

Zomervakantie

Het is weer zomervakantie (eindelijk!). En wie beter dan Marilyn Monroe  aan het strand om dat ultieme gevoel van vrijheid weer te geven?

maandag 17 juli 2017

De lessen, Michela Murgia

Eleonora is een actrice. In haar vak geeft ze alles en is ze bereid om risico’s te nemen en daarom is ze gevierd op de podia in Italië en het buitenland.

Daarnaast neemt ze soms een leerling aan. Niet om te leren acteren, maar om die voor te bereiden op het leven in de grote wereld. 

Ze leert hen om kwaliteit te herkennen, mensen in te schatten, kunst te waarderen. 

Ze leert hen tafelmanieren als het nodig is, en hoe je je moet kleden. 

Bovendien leert ze hen zich te bewegen in grote gezelschappen en conversaties te voeren met iedereen daar aanwezig. 
Haar opleiding is een soort privé -finishing school.

Eleonora heeft haar leven goed voor elkaar. Ze is succesvol en heeft goede vrienden en een mooi appartement. Ze laat op deze paar zeer selecte vrienden na, niemand al te dicht bij komen. Zeker haar leerlingen niet, die goed moeten beseffen dat hun leertijd een zakelijke overeenkomst is en niks anders. 

Dit zijn lessen die Eleonora zichzelf heeft moeten leren, na haar jeugd met een tirannieke vader en een zwakke moeder en een broer die haar, als het hem uitkwam, kon verraden.

Als er een nieuwe leerling komt, moet Eleonora die lessen opnieuw tegen het licht houden. 

Chirú is een jonge violist die aan Eleonora vraagt hem onder haar hoede te nemen. Ondanks haar eigen twijfels en de twijfels van de mensen die haar na staan, neemt zij hem inderdaad als leerling aan. Maar waar ze bij de eerste lessen nog degene is die weet in welke richting het gaat, blijkt al snel dat Chirú zich ontwikkelt in een richting die Eleonora niet had voorzien.

Michela Murgia (1972)
Michela Murgia is niet de eerste de beste. Zij heeft een boekenprogramma op de Italiaanse televisie en is theoloog, schrijfster en criticus. 

Ik vond De lessen een prachtige roman. Het eerste dat opvalt is het ontzettend mooie en beheerste taalgebruik. Michela Murgia is in staat om filosofische ideeën en bijzondere gedachtewisselingen in een bijna moeiteloos proza te beschrijven, dat het bijna poëtisch wordt.

De herinneringen aan Eleonora’s kindertijd, een belangrijke factor in de vrouw die ze is geworden, zijn schrijnend, zonder dat ze dik aangezet worden. In een paar scene’s, in een aantal beschrijvingen komt de gezinsleden naar voren, ieder in de eigen rol die ze gespeeld hebben.

De lessen gaat over volwassen worden, wat je meeneemt uit je kindertijd, keuzes maken en loslaten. En gaat vooral over transformatie. Je kunt een bepaalde richting kiezen en jezelf vertellen dat dit is wat je wilde, maar dat wil niet zeggen dat je daaraan vast moet blijven houden.

Mooi vond ik ook dat het verhaal nergens ontspoorde in een cliché en niet de richting op gaat die je misschien in het begin denkt. Heel knap laat De lessen zien hoe Eleonora de waarheden die ze zelf heeft geleerd los moet laten en het leven opnieuw moet leren bekijken.

Een schitterend boek.

Originele Italiaanse uitgave: Chirú (2015)
Nederlandse uitgave: 2017 door uitgeverij Wereldbibliotheek
Nederlandse vertaling: Manon Smits
Bladzijdes: 220

vrijdag 14 juli 2017

Santo Stefano in Bologna

De Santo Stefano vanaf het plein.
Links zie je de ronde 'Heilige graf kerk'
Een van de meest bijzondere kerken die ik ooit heb bezocht, is de Santo Stefano in Bologna. Dit is namelijk een complex van zeven kerken, waarvan de oudste al in de 4e eeuw is gebouwd.

Oudste kerk
De oudste kerk zou gebouwd zijn op het amfitheater waar twee van de eerste Bolgonese martelaren, Vitale en Agricola, rond het jaar 304 zijn gestorven omwille van hun geloof.

Oorspronkelijk heette deze kerk de Sint Pieter, omdat er een inscriptie was gevonden met de naam Symon, de naam van de latere apostel Petrus. Men dacht op dat moment dat Petrus in Bologna begraven was en niet in Rome. 

De bisschop van Rome kon dat natuurlijk niet over zijn kant laten gaan, want er kon tenslotte maar één echt graf van Sint Pieter zijn! Hij liet het dak van de kerk in Bologna halen en vulde de kerk met aarde, tot ze in Bologna toegaven en de kerk de naam van de Heilige Vitale en Agricola gaven. 
Het kerkje van Vitale en Agricola
Jeruzalem
Bisschop Petronius van Bologna (later ook de beschermheilige van de stad) liet een eeuw later naast de kerk van Vitale en Agricola een nieuwe kerk bouwen, boven op een tempel van Isis. Deze kerk heeft een kenmerkende hoekige ronde vorm, een verwijzing naar de Heilige Grafkerk in Jeruzalem.

In de eeuwen erna kwamen er nog een aantal kerken bij, verbonden aan elkaar met binnenpleintjes. Tegenwoordig zijn er trouwens nog maar vier kerken over, maar het staat nog altijd bekend als ‘le sette chiese’.
Mooie fresco's
De zeven kerken stonden ook symbool voor de verschillende momenten uit het leven en de dood van Jezus Christus. Zo is er dus een kerk die verwijst naar zijn dood, maar er is ook de San Stefano van het Kruis, het binnenplein van Pilatus en de Kapel van de rouwsluier van Maria. 
Dit haantje in de binnenplaats van Pilatus verwijst naar de haan van Petrus.

Dante, Maria en monniken
Het schijnt dat Dante hier lange tijd heeft verbleven en geïnspireerd raakte door de beeldhouwwerken op het binnenplein en hier een paar kwellingen uit de hel op heeft gebaseerd.

Tot 2000 lag in dit complex het lichaam van de Heilige Petronius, maar dat is daarna verhuisd naar de San Petronio, de grote kathedraal van Bologna.

Het complex van Santo Stefano huist ook een Benedictijns klooster en een klein museum waar voorwerpen uit de rijke geschiedenis te zien zijn.

Hier wordt ook een doek bewaard die aan Maria zou hebben toebehoord en een keer per jaar wordt deze doek rondgedragen in een processie door de wijk. Volgens de traditie moeten de prostituees van Bologna dan wel uit de buurt blijven.

In dit bijzondere gebouw heb je tientallen eeuwen geschiedenis bij elkaar. Voeg daarbij dat het driehoekige plein voor de kerken ontzettend gezellig is, en dan begrijp je dat wanneer je Bologna bezoekt, je de Santo Stefano zeker niet mag overslaan!

maandag 10 juli 2017

Open zee, Catherine Poulain

Lily is net aangekomen in Alaska en wil per se mee op een van de vissersboten waarbij gevist wordt op heilbot, koolvis en kabeljauw. Ze is niet de meest voor de hand liggende kandidaat, aangezien ze een kleine en frêle Française is.

Toch is er een schipper die het met haar aandurft, maar Lily zal moeten bewijzen dat de schipper geen vergissing heeft gemaakt door haar aan te nemen. Ze moet even hard werken als de mannen en krijgt niets cadeau, maar haar doorzettingsvermogen en taaiheid winnen het respect van de andere zeelui aan boord.

Voor wie nog romantische illusies over het zeemansleven koestert, opent deze roman de ogen. Er is geen romantiek in de visserij. Het rauwe leven wordt indringend beschreven en als lezer wordt je meegezogen in de hectiek als de lijnen met aas moeten worden binnengehaald en alle vissen ter plekke moeten worden schoongemaakt om opgeslagen te worden in het ruim. Hierbij wordt er soms vierentwintig uur achter elkaar gewerkt.

De kans op ongelukken aan boord is bijzonder groot en ook Lily ontspringt die dans niet, een stekel van een vis in haar hand zorgt voor een ontsteking die fataal had kunnen worden en verder zijn er allerlei ongelukken en ongemakken.

Tegelijkertijd is er de eenheid van de bemanning aan boord die samen naar één doel werken en de ultieme vrijheid van de zee. Niet voor niets eist Lily dat zij ook zij wordt ingedeeld om wacht te houden in het midden van de nacht, als de stuurhut en de zee alleen voor háár zijn.

Voor Lily is dit alles wat ze wilde en ze is er volkomen op gericht. Hoewel zeeman Jude met wie ze een korte affaire heeft met haar naar Hawaï wil en daar wil settelen, kiest Lily voor haar eigen vrijheid.

In haar toekomst lonkt het vissen op de Bering zee en vooral de ultieme proef waar veel ervaren vissers voor terug deinzen; het vissen op krab. Of ze daar daadwerkelijk uitkomt weten we niet, maar als er iemand een kans heeft om die droom te verwezenlijken, is het Lily.

Ik vond het echter jammer dat we nooit meer over Lily zelf te weten komen. Ze is gevlucht uit Frankrijk, maar dat is alles, van haar achtergrond en de redenen om te vluchten horen we niks. De enige aanwijzing die wordt gegeven is dat de plaats waar zij vandaan komt wordt verbasterd tot ‘messentrekkers’, en daar blijft het bij.

Ik had graag beter willen begrijpen waar haar enorme drive vandaan kwam en dat kan alleen als je iemand beweegredenen kunt doorgronden, maar bij Lily is daar geen sprake van.

Catherine Poulain (1960)
Aan de andere kant kan dat ook net de bedoeling zijn geweest. Tenslotte heeft iedereen die Lily daar bij de Final Frontier leert kennen een verleden waar hij of zij liever niet aan denkt en iedereen is wel voor iets op de vlucht. Daar, in de armoedige kroegen waar iedereen probeert zijn pijn te verdrinken of met drugs te verdoven, is iemands verleden niet zo belangrijk. Het gaat erom dat je vist.

De meeste nieuwelingen in Alaska hebben nog de droom dat ze met vissen geld genoeg zullen verdienen om een nieuw en beter leven op te bouwen, ver bij de kou en de zee vandaan. De oudgedienden weten dat dit ijdele hoop is en dat voor de meesten hier het eindstation is en dat er niets anders wacht dan zee, vis en drank. 

En voor sommigen, zoals Lily, is deze plek de enige plek waar ze volkomen zichzelf kunnen zijn. Onder de eindeloze hemel en in de peilloze zee  is iedereen gelijk en valt al het andere weg.

Open zee is daarmee geen opgewekt of optimistisch boek, maar wel een die het lezen meer dan waard is, omdat het je niet loslaat. Een volkomen onbekende wereld ging voor me open en de obsessie van Lily sloeg een beetje over, waardoor ik het boek niet weg wilde leggen.

Wat ik helemaal bijzonder vind is dat de schrijfster, Catherine Poulain zelf jarenlang in Alaska heeft gewoond en op vis heeft gevist. Zij heeft haar eigen ervaringen gebruikt in deze debuut roman. Ze had echter geen verblijfs- of werkvergunning en is op een gegeven moment Alaska weer uitgezet. 
Tegenwoordig is ze schaapherder in Frankrijk.

Als je haar hoort praten, kun je je bijna niet voorstellen dat dit frêle vrouwtje met de zachte en verlegen stem zo volstrekt buiten alle begaande paden heeft geleefd, maar blijkbaar is zij een van die mensen met een ijzeren kern die in staat is volkomen haar eigen gang te gaan en niet terugschrikt voor ongemak of eenzaamheid. Iemand die juist dat ongemak en die eenzaamheid nodig heeft om bij zichzelf te komen. 

Ik vind haar in ieder geval een bijzondere vrouw die ook nog een heel mooi boek heeft geschreven. heel mooie boeken kan schrijven.

Originele Franse uitgave: Le grand marin (2016)
Nederlandse uitgave: 2017 door uitgeverij Cossee
Nederlandse vertaling: Prescilla van Zoest
Bladzijdes: 348

zondag 9 juli 2017

Foto op zondag (6)

Donderdag jl. na de diploma-uitreiking kwam ik thuis met een tas vol cadeautjes en een arm vol bloemen, maar vooral met een hart vol lieve woorden van waardering van mijn leerlingen en hun ouders. Zo ontzettend lief, het was om stil van te worden.
Ik heb het mooiste beroep ter wereld.

vrijdag 7 juli 2017

Tentoonstelling: Cuban Art Now

Augustusregen op een januaridag
Alejandro Campins
In het Singer museum in Laren is op dit moment de tentoonstelling Cuban Art Now te zien, waar belangrijke contemporaine kunstenaars uit Cuba verzameld zijn.

Een Nederlands echtpaar dat op Cuba woonde, maakte hier kennis met de nieuwste stromingen in de Cubaanse kunst en besloten om een aantal werken te kopen. Deze verzameling breidde zich uit en de tentoonstelling die nu te zien is, is het grootste overzicht van hedendaagse Cubaanse kunst.

In de vaak kleurrijke werken van de Cubaanse kunstenaars zie je dat ze geïnspireerd worden door het Cubaanse landschap. Maar ook de cultuur, de geschiedenis en natuurlijk de politieke situatie komen op verschillende manieren terug.

Ondanks deze overeenkomsten vond ik het heel bijzonder om te zien dat elke kunstenaar een volkomen andere aanpak en stijl van schilderen heeft.
Zo zijn de werken van  JEFF (José Emilio Fuentes Fonseca) onmiddellijk te herkennen aan de kinderlijke stijl en de vrolijkheid die eruit spreekt, ondanks dat de onderwerpen niet altijd heel vrolijk zijn.
De visser, JEFF

Mannen met baarden, JEFF
Het mooist vond ik persoonlijk de schilderijen van Alejandro Campins. Bijna alle schilderijen uit zijn zaal spraken me aan en ik zou ze zo bij mij thuis aan de muur hangen. Zijn manier van schilderen en het kleurgebruik vond ik prachtig.

Vraag het me, Alejandro Campins

Stad der doden, Alejandro Campins
Heel erg vrolijk werd ik ook van de schilderijen van Flavio Garciandia, die met zijn schilderijen van bonen ook een dikke knipoog geeft aan collega kunstenaars als Malevich of Ad Reinhardt.
Witte bonen, of Malevich en Reyman in Havanna, 
Er waren niet alleen schilderijen, maar ook een paar objecten (olifantjes!!) die ik bijzonder leuk vond.
Olifanten van JEFF

Zelfportret, Weerbericht en Zonder titel, Eduardo Ponjuan
Cuban Art Now is geen heel grote, maar wel een mooie en gevarieerde tentoonstelling, waar heel veel valt te genieten. Ik vind het vooral bijzonder dat je werken van deze kunstenaars niet zo snel hier in Europa ziet en zeker niet in zo'n hoeveelheid bij elkaar.
Cuban Art Now is nog tot 24 september 2017 te zien in het Singer museum in Laren.

maandag 3 juli 2017

Doem, Beppe Fenoglio

Doem is het verhaal van Agostino Braida, die als jongen door zijn familie als knecht wordt verhuurd. Voor zeven goudstukken per jaar en een broek met Kerstmis, werkt hij elke dag keihard op het land bij de boer Tobia, zodat hij voor zijn tijd oud en krom is.

Tobia beult zijn knecht, maar ook zijn vrouw en zonen af om uiteindelijk een stukje land zelf te kunnen kopen in plaats van het te pachten. Hij wil zijn familie uiteindelijk besparen wat hem zelf als kind is overkomen, maar tot het zo ver is, is de situatie onmenselijk.

Beppe Fenoglio beschrijft in zijn boeken de streek rond Alba, waar hij zelf geboren was en opgroeide. De schrijnende armoede en de bittere strijd om het bestaan is iets dat hijzelf heeft gezien in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. 

De boeren en pachters sappelen op hun kleine, armzalige akkers die nooit genoeg opbrengen, hoe lang ze er elke dag ook op werken. Het is een armoede, waar geen ontsnapping aan mogelijk is en waar er bijna geen kans is op geluk, liefde of hoop.

En het sprankje hoop dat af en toe de kop op steekt, wordt genadeloos afgestraft. De kans om maaier te worden en een beter, hoewel zwervend leven te leiden, durft Agostino toch niet te pakken en de kleine kans op geluk met het dienstmeisje Fede eindigt in diepe ellende.

Uiteindelijk zal Agostino alleen achterblijven op het stukje land van zijn ouders, waar weinig meer van over is omdat er steeds stukken van verkocht zijn om in leven te blijven. Zijn lot is waarschijnlijk vroeg oud te worden, kromgetrokken van het werken, zonder ooit meer te bereiken dan dat kleine lapje grond dat niet genoeg opbrengt om van te kunnen leven, maar teveel om van te sterven.

In de handen van een mindere schrijver zou dit verhaal van diepe ellende op de lachspieren kunnen werken. Of het zou een sentimentele draak worden. Niet bij Beppe Fenoglio.

Beppe Fenoglio schrijft namelijk heel direct. Hij schrijft volkomen onopgesmukt, en gebruikt geen inleiding, geen bijvoegelijke voornaamworden, geen poetische beschrijvingen. En waar ik bij andere schrijvers daar juist enorm van kan genieten, geniet ik bij Beppe Fenoglio van de krachtige eenvoud. 

Dit verhaal heeft geen extra versieringen nodig, het begint en je wordt er meteen door meegenomen. Er is geen kans om te ontsnappen, net zoals Agostino niet uit de armoede kan ontsnappen.

Ik had mijn vader amper begraven of daar ging ik alweer, terug naar mijn miserabele bestaan, zelfs de dood van mijn vader kon mijn lot niet veranderen. Dus kon ik net zo goed rechts af slaan, naar de Belbo, en een draaikolk zoeken die diep genoeg was. Maar ik liep gewoon door, want ik moest prompt aan mijn moeder denken die nooit een greintje geluk heeft gehad in haar leven, en aan mijn broer, die terug moest naar het seminarie, net zo gedoemd als ik. 

Beppe Fenoglio (1922-1963)
Een boek van Beppe Fenoglio is als een Italiaanse landwijn. Bij de eerste slok misschien simpel en niet heel verfijnd, maar als je doordrinkt, merk je de lagen in de wijn op en als je klaar bent met drinken, merk je ook dat de wijn je beslist niet onberoerd laat.

Er zijn nu vier boeken van Beppe Fenoglio in Nederlandse vertalingen uitgebracht en ik kan alleen maar hopen dat andere werken uit zijn oeuvre ook vertaald zullen worden. 

Zijn boeken zijn pareltjes en ook Doem bewijst voor mij weer dat Beppe Fenoglio één van de grootste Italiaanse schrijvers ooit is.

Originele Italiaanse titel: La Malora
Uitgegeven in 1954
Nederlandse uitgave 2017 door uitgeverij De bezige bij
Nederlandse vertaling: Mieke Geuzenbroek en Pietha de Voogd
Bladzijdes: 123

zondag 2 juli 2017

Citaat op zondag (5)

Paleis Belvedere van oorlogsheld prins Eugène leek die wintermorgen van 2006 op het decor van een sprookje toen een jonge advocaat uit Los Angeles, met een lange zwarte jas en zijn gebruikelijke uitstraling van ongeduld, door de besneeuwde tuin beende om een schilderij te claimen waar hij al jaren voor vocht. 

Eerste zin uit: De dame in goud van Anne-Marie O'Connor.

Maar ligt dit aan mij of is dit gewoon een verschrikkelijk lelijke, slecht geschreven zin?
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...